donderdag 25 februari 2021

Sociale afstand

Toen in februari 2020 bleek dat het coronavirus op koers zat om een pandemie te worden moest ik onmiddellijk terugdenken aan mijn opleiding sociologie, waar we in vakken zoals biologische antropologie, gezondheidssociologie, en demografie een goed beeld hadden gekregen van hoe biologie en samenleving samenhangen. Het feit dat epidemieën onvermijdelijk zijn, samengaan met menselijke interactie, en versneld worden door grotere fysieke mobiliteit, was een evidentie. Het was dan ook niet moeilijk om aan maatregelen te denken die de epidemie zouden hebben kunnen doen stoppen: grenzen sluiten, een reisverbod, sociale kringen afschermen, ontmoetingsplaatsen vermijden. Sommige van die maatregelen zijn deels ingevoerd, maar de klemtoon van het beleid lag vooral op enerzijds meer traditionele niet-farmaceutische interventies zoals afstand houden en handen wassen - het advies bij ebola-uitbraken en het devies van de WHO - en farmaceutische interventie zoals het ontwikkelen van vaccins. Deze twee pistes zijn niet succesvol gebleken.

Nu vertaalde dat afstand houden zich in het Engels als "social distancing" - sociale afstand houden. Dat stootte op verzet van sommige sociologen, omdat het begrip "sociale afstand" in de sociologie een specifieke betekenis heeft, namelijk de moeilijkheid om contact te leggen tussen verschillende sociale strata of sociale statusgroepen. Ze verkozen eerder het begrip "fysieke afstand", of "physical distancing", als maatregel tegen corona. Dat betekent dat men op anderhalve meter tot twee meter, of op zes voet van elkaar moet blijven, zodat speekseldeeltjes met virus erin door de ballistiek niet in de neus, keel of ogen terechtkomen, maar simpelweg op de grond vallen. Die regel bleek ten eerste geen wetenschappelijke basis te hebben, en was ook ineffectief aangezien alles er ondertussen op wijst dat coronavirussen zich via de lucht verspreiden.

Al die tijd ben ik mij blijven afvragen of sociale afstand toch geen nuttig begrip is om deze epidemie te begrijpen en te bestrijden. Ik heb daar vier argumenten voor:

1. De sociologische sociale afstand

Het coronavirus kan gezien worden als een virus dat geïmporteerd wordt door een hogere sociale klasse - mensen die op skivakantie vertrekken of voor het werk internationaal mobiel zijn - maar dat gemultipliceerd wordt door de lagere sociale klasse, en wat België betreft lang blijft hangen in arbeidersbuurten in Brussel, Antwerpen, en Limburg. Daarbij bestaat de neiging om het virus in de eerste, mobiele fase, te onderschatten, en pas maatregelen te nemen wanneer het reeds endemisch is en zich via sociale netwerken verspreidt.

België is wellicht hard getroffen door het coronavirus omdat het virus sneller dan in andere landen de sociale afstand overbrugt. In normale tijden is dat zeer goed: mensen van verschillende sociale klassen staan letter en figuurlijk dicht bij elkaar, er heerst een sterk gevoel van gelijkheid. Dit is een hypothese, die kan onderzocht worden door de vergelijking te maken met het initiële verspreidingstempo in landen waar de sociale afstand groter is. We zagen dat niet alleen regio's, maar ook geloofsgroepen of nationaliteiten op een verschillend tempo getroffen werden, wat andermaal wijst op sociale afstand.

2. De afstand van het sociale

Zoals gezegd verspreidt het virus zich via sociale netwerken: het bedrijf, de school, het café, de verenigingen. Op dat vlak zijn we ook een land dat op lokaal niveau zeer sterk samenhangt. Uiteraard verhoogt dat het verspreidingstempo. Aanvankelijk dacht ik nochtans dat het actieve verenigingsleven lokale leiders naar voor zou brengen die verantwoordelijkheid zouden opnemen en activiteiten zouden afgelasten en bewustwording zouden creëren in hun kringen, wanneer de politici passief bleven. Sommigen hebben dat gedaan, wat ik nooit zal vergeten, maar de meeste mensen hebben de dreiging onderschat en anderen in gevaar gebracht. Er zijn in vergelijking met andere landen weinig succesvolle burgerinitiatieven en solidariteitsacties opgezet, een voedselbedeling of makersclub niet te na gesproken. Dat was teleurstellend.

3. De sociale afstandelijkheid

De derde vorm van sociale afstand is het interpersoonlijke gedrag. Wanneer mensen samenkomen, ontstaat vaak een soort magnetische aantrekkingskracht, en krijgt het gevoel dominantie over de ratio. Men kan een uitnodiging van z'n beste vriendin of schoonmoeder niet afslaan, omdat men daarmee impliceert hen niet te vertrouwen. Bovendien wordt de waarde van zo'n contact afgewogen ten opzichte van het risico om zelf ziek te worden, niet ten opzicht van het risico om de gezondheidszorg te overbelasten. Stel dat men één kans op honderd heeft om gehospitaliseerd te moeten worden wanneer men z'n gedrag gedurende een maand niet wijzigt. Men kan dat een aanvaardbaar persoonlijk risico vinden. Als in een stad met honderdduizend inwoners iedereen zo redeneert, belanden in die periode duizend mensen in het ziekenhuis. Dat kan een risico zijn dat beleidsmakers en medici niet aanvaarden, omdat de zorg zo snel overbelast wordt, wat de mortaliteit verder vergroot. De werkelijke risico's zijn wellicht nog kleiner dan één procent, maar de totale capaciteit van de ziekenhuizen bedraagt ook geen honderdduizend bedden maar geloof ik slechts een vijfde daarvan, en een vijftigste op intensieve zorgen.

Toen ik in maart begon te twijfelen aan de adviezen van het WHO rond het dragen van mondmaskers, en zelf wat onderzoek hierrond deed - een doodzonde, volgens de gevestigde experten - ging ik geloven dat zelfgemaakte mondmaskers enig nut hadden om anderen te beschermen, maar de precieze mechaniek erachter was onduidelijk. Voor medische maskers is een test op lekken nodig, terwijl zelfgemaakte maskers en chirurgische maskers helemaal niet goed aansluiten, en vaak hetzij van een te lichte stof gemaakt zijn die quasi alle deeltje doorlaat, of van een te dichte stof waardoor er evenmin gefilterd wordt. Wil je echt volgens de regels een masker maken, dan kruipt daar veel werk in met de designs voorhanden. Toch lijkt het erop dat maskers werken. Subtielere mechanische verklaringen kunnen daarvoor bedacht worden, maar ik wil het in deze linken aan sociale afstandelijkheid.

Mensen met een masker op zijn namelijk quasi onvermijdelijk minder sociaal. Er wordt minder gekust, men blijft verder van elkaar staan, er is de signaalfunctie dat er een dreiging is, en de verleiding van de lippen en de non-verbale communicatie valt weg. Mochten mensen weten dat dit het effect is van mondmaskers, men zou ze niet willen dragen, en zeggen dat het manipulatie is. Toch lijkt het mij zeer waarschijnlijk en effectief. Je zou even goed een pin van tien centimeter op de borstkas kunnen plaatsen, en quasi hetzelfde effect bekomen: het is vreemd, beangstigend, en nodigt niet uit tot contact. 

4. Het sociaal afstandhouden

Dit argument werd onmiddellijk naar voor gebracht toen er kritiek kwam op "social distancing": het asociale gedrag getuigt eigenlijk van een zeer sociale moraal. Virussen zorgen er wel vaker voor dat liefde dodelijk is. We moesten dus van ons hart een steen maken als we familie, naasten, en vreemden willen beschermen. Die logica kan niet iedereen bevatten. Ze kan ook niet blijven duren: als je grootouders nog maar een paar jaar te leven hebben, is het misschien moreel aangewezen hen niet al die tijd te vermijden. Maar de fysieke afstand verdiende wel een lovend adjectief, als een morele compensatie voor wie zijn natuur moet intomen. 


We zijn nu eind februari 2021, en de geesten zijn verward: hoe lang moet men dit nog volhouden, zijn de epidemiologen die pleiten voor handhaving van de regels geen verdoken zieke geesten zonder hart, maken we de juiste afweging tot sociale, economische, en sanitaire noden, zijn de maatregelen adequaat? Het probleem is dat het noch het ethische, noch het medische, noch het socio-economische debat ten gronde is gevoerd: in alle rust, met alle argumenten en alle nodige gegevens. Daarvoor hebben we niet de data, niet de intellectuelen, en niet de open debatcultuur die dit mogelijk maakt. De Belgische oplossing is een compromis na gelobby, dat vervolgens halfslachtig wordt nageleefd en met tegenzin wordt afgedwongen. Op vlak van bewustwording is er weinig bereikt, en ook op vlak van doordachte strategieën hebben we geen systemen die het sociale gedrag dat uiteindelijk de vector van het virus is, structureel kunnen bijsturen. De "kotbubbel", een ad hoc huishouden zeg maar, is het meest innovatieve waar men nu pas aan begint te denken. Gebruik van big data en intelligente apps staat nergens. Nochtans laten we ons sociaal gedraag daar voor allerlei andere zaken gewillig door sturen. Bij gebrek aan strategie is er ook geen gevoel van controle, wat tot defaitisme leidt in plaats van constructief meedenken: men wijst maatregelen af zonder alternatieven te suggereren, of de mogelijkheden die overblijven maximaal te benutten. Terwijl men tot op zekere hoogte sociaal gedrag in open lucht mogelijk zou kunnen maken, dat biologisch kan motiveren, en er beter over kan waken aangezien het publiek is, gaat men over tot het sluiten van parken en het organiseren van kat-en-muisspelletjes met jongeren. Van sociaal gedrag gesproken! Spelvormen zijn een zeer goed pedagogisch instrument, maar getouwtrek is niet wat je nu wil bereiken. Het is spijtig dat we de cultuursector niet hebben kunnen inschakelen om voor de verbeelding te zorgen die het sociaal werk vandaag nodig heeft.