De conservatieve psycholoog/moraalfilosoof Jonathan Haidt schreef een veel gedeeld opiniestuk voor de American Enterprise Institute, dat door De Morgen werd vertaald. Hij stelt het voor alsof de ideeënstrijd tussen nationalisten en globalisten door de werkelijk beslecht is in het voordeel van die laatsten. Assimilatie is geen ijdele eis meer, migratiegolven zijn te snel gegaan. Nu zal ik JH niet bekampen op zijn terrein: ik vind de stukken uit A righteous die ik heb gelezen goed en voldoende kritisch op zichzelf. Mijn fundamentele bezwaar bij het opiniestuk is de valse tegenstelling van nationalisme en globalisme - een goedkoop retorisch trucje, als je het mij vraagt.
Om te beginnen weet ik niet wat dat globalisme precies is, behalve de verzamelde hoop ongelijk van de antinationalisten, volgens Haidt. Uit het vingerwijzen zou ik mij als anti- of andersglobalist aangesproken voelen. Een beweging zonder agenda en zonder duidelijke vertegenwoordigers veroordelen beperkt aardig de te verwachten tegenstand. Het heeft dus geen zin op die kant van het verhaal te reageren.
Nationalisme dan, valt daar uiteindelijk iets voor te zeggen? Laten we even teruggrijpen naar Haidts pleidooi voor een waardennationalisme. Historisch en economisch nationalisme kan men alvast wijselijk begraven. Migratie schudt waardenstelsels dooreen, zorgt voor een gevoel van bedreiging voor de collectieve identiteit, voor veranderingen in de omgeving die te snel gaan. De gelijkenissen met de klimaatopwarming, verstedelijking, en technologische vooruitgang in het algemeen zijn treffend. Mensen zijn risico-avers en willen geen veranderingen die hun wereldbeeld al te zeer bijstellen. Ze willen een omgeving die aan de verwachtingen beantwoordt. Dat zet bijvoorbeeld een bovengrens op migratie-instroom - niet op de niveaus als dusdanig, maar op de verandering. Haidt heeft daar een punt, al is het selectieve zwijgen over veel fundamentelere problemen, en over de gemeenschappelijke oorsprong (cui bono?), spijtig. Alleen heeft het niets met nationalisme te maken, en is de roep om te assimileren een ongerelateerd paternalistisch lapmiddel. Mensen ontwikkelen nu eenmaal geen waarden door een integratiecontract af te sluiten.
Meer algemeen, en nu komen we wél op het terrein van het nationalisme, kunnen waarden alleen bestaan als ze worden geschonden, en kan je ze bij wet dus niet uitsluiten. Mensen kunnen dus verschillen in waarde afhankelijk van welke waarden ze belichamen en in welke mate. Waardenrelativisme speelt moraalridders paradoxaal genoeg in de kaart. Een onvrijwillige glimlach is echter niet vriendelijk, maar een perverse illusie die tot de steenwegdecoratie behoort. De wet moet vrijheden garanderen, en die vrijheden laten toe al dan niet bepaalde waarden te respecteren. Dat is dus een vrijheid op zich, waardoor waarden die mutueel exclusief zijn, geen plaats hebben in een maatschappij. Religie is dus problematisch, en daar moeten de scherpe kantjes dus af. Dat gebeurt ook, en mag het voorwerp zijn van maatschappelijke discussie. Men moet echter opletten voor een moreel endogeniteitsprobleem: precies door de waardentegenstelling te verabsoluteren en er een symbolenstrijd van te maken, stoot men op de mutuele exclusiviteit die het belangrijk maakt zo'n conflicten te beslechten. Er zijn met zekerheid ongelofelijk veel gebruiken in de talloze religies, sektes, en sectaristische organisaties die een samenleving kunnen doen splijten als we er maar voldoende aandacht aan schenken.
Nationalisten verheffen waarden tot wetten, en vervangen zo vrijheden door autoritarisme. Eén van de belangrijke motivaties is dat dit intern consistent is. Als men uitgaat van de assumptie dat er één volk is met één wil, en daar desnoods de grenzen aan aanpast, dan werkt dit systeem. Religie doet met hulp van bovenaf precies hetzelfde. Zulke waardensystemen weren vreemde elementen om als systeem overeind te blijven. Op twee manieren zal dit echter altijd falen. Ten eerste is er opnieuw een probleem van endogeniteit: als we grenzen zetten rond een territorium waar waardenafspraken gemaakt zijn, zullen deze grenzen leiden tot een diaspora, omdat grenzen opportuniteiten creëren. Men kan zo eindeloos de grenzen verleggen en terugleggen. Het is trouwens nog realistischer dat op basis van morele consensus geen grenzen kunnen worden getrokken, m.a.w. dat een grens geen morele overgang impliceert omdat culturen organisch in elkaar overvloeien (en waarschijnlijk niet zelden een economische en klimatologische component hebben). Een tweede contradictie is dat de assumptie van het morele consensusdenken absolute waanzin is. De reden waarom men er toch in gelooft is door het selectief uitsluiten van dissidente stemmen. In een samenleving zijn er zeer veel morele geschillen en dat is even gezond als biologische variabiliteit. Het recht voor migranten om bepaalde waarden voor te staan garandeert hetzelfde recht voor autochtonen. Waar men dat uiteindelijk voor waarden nog zal erkennen, vind men dat er toch een bereidheid moet zijn om de taal te leren. Opnieuw nonsensicaal. Sommige mensen zijn daar niet toe in staat of bijvoorbeeld doofstom en blind. Dan gaat men er een inspanningsverbintenis aan koppelen - problematisch om te meten en andermaal uiterst bedreigend als men ook van de eigen bevolking inspanningen gaan verwachten om het potentieel waar te maken. Het is trouwens spijtig dat men zoiets verplicht én tegelijkertijd een waardencontract voorstelt, terwijl er te weinig aanbod is in de taalscholen, en de verplichting maskeert dat men met de vrijwillige aanwezigheid een mooie waarde uitdrukt. Als men de taal niet spreekt en dat probleem niet oplost door familie, vrienden, of professionele vertalers in te schakelen, kunnen de boetes zich opstapelen, wat voor de staat erg lucratief kan zijn. Maar liever heeft men een inefficiënte staat, populariteit, en verdeeldheid.
Het feit dat een vtm-krant als De Morgen het nationalistisch discours overneemt is niet vreemd. De sociaaldemocratie heeft sinds lang het structuralistisch denken verlaten. In de plaats is er een statusgroeppolitiek gekomen. Een volk kan je een statusgroep noemen: het zijn mensen die elkaar herkennen en een gemeenschappelijk belang nastreven. Binnen statusgroepen bestaat sympathie voor elkaar. Men ziet dit gevoel soms als een voorwaarde voor solidariteit. Naast zelfbenoemde volkeren zijn er nog belangrijke statusgroepen, zoals vrouwen, LGTB's, voetbalsupporters, en intellectuelen. De blindheid voor structurele oorzaken die problemen veroorzaakt voor één van die groepen drijft hen richting moreel reductionisme. Vrouwen worden nagefloten, en wensen dus een wet tegen het nafluiten van vrouwen. Homo's worden in elkaar geslagen, en vragen dus een monitoring van homohaat. Christenen willen gehoorzame vrouwen, en bekomen belastingsvoordelen voor gehuwden. De gemeenschappelijke factor: het zwakke onderwijsniveau bij bepaalde groepen van de maatschappij, die vrouwen en homo's wild maakt, en die misschien zelfs een economische grondslag heeft, negeert men omdat anders de statusgroepidentiteit ook zou komen te vervallen. De functionalistische kijk op systemen is dat ze bestaan omdat ze zichzelf nooit opheffen, zelfs als het objectief alle elementen van het systeem erop zou doen vooruitgaan. Zo is het ook met nationalisme. Men gaat kromme economische redeneringen maken om toch maar het nationalisme als systeem te verdedigen. Idem met religies. De andere statusgroepen zijn daarbij dankbare sympathisanten, die om beurten verleid worden door een regel of discours waar ze erkenning in vinden. De enige vijand is dan diegene die durft anders-denken, of hoe de ene emancipatie de andere onderdrukking in de hand werkt. Misschien is dat Haidts ergernis bij de andersglobalisten, en gaat hij daarom de ongedefinieerde oppositie op voorhand buitenspel zetten.