donderdag 25 juli 2013

Langer werken?

Bewerkt op 24 augustus 2013 na commentaren van Roland Duchâtelet en Wouter De Vriendt, die ik beiden nog niet heb kunnen overtuigen.
Bewerkt op 7 juli 2015 omdat het beter kon.

Het probleem

Om dezelfde output te blijven leveren zal in de toekomst langer gewerkt moeten worden. Er gaat misschien levenskwaliteit verloren.

De reden is eenvoudigweg omdat de bevolkingspiramide een omgekeerde kegel is, en de top tegen 2030 inactief zal zijn. Voor een deel kan dezelfde output ook gerealiseerd worden door een hogere productiviteit, dat is de these geweest van mijn ex-collega Bart Capéau, maar de productiviteitsgroeicijfers zijn naar beneden bijgesteld.

Wat is nu het optimale pensioenstelsel? Gaan we voor repartitie (huidige actieven betalen voor huidige passieven) of voor kapitalisatie (men spaart voor zichzelf of voor de eigen generatie)? Daarnaast: wanneer kan men op pensioen gaan?

Analyse

Repartitie is robuust tegen economische schokken maar vraagt solidariteit die niet rechtstreeks vergoed wordt. Een generatie die actief was in een goede conjunctuur en veel heeft bijgedragen, kan vervolgens inactief zijn in een slechte conjunctuur en weinig ontvangen. Kapitalisatie vraagt geen solidariteit, maar het waken over de waarde van geld over de tijd heen is een economische uitdaging die ook offers eist. Pensioenfondsen kunnen falen, er kan een bank run zijn en een implosie van het financieel systeem, de munt kan devalueren, de muntunie kan verdwijnen, inflatie kan spaarcenten in rook doen opgaan, etc.

De ganse discussie over repartitie en kapitalisatie wordt vaak ideologisch gevoerd: sociaaldemocraten staan voor solidariteit, liberalen voor particulier sparen. In de praktijk is er echter een consensus over het evenwicht tussen deze pijlers: repartitie zal altijd de basis blijven. Zelfs als een economie in elkaar stort kan men het weinige wat men heeft blijven delen - en zal men dat spontaan doen - terwijl het spaargeld dat niets meer waard is letterlijk weggesmeten geld is - althans voor de spaarder. Kapitalisatie is dus het 'leuke extraatje': in feite is het niets anders dan sparen, en niemand verbiedt je om te sparen. Of we dat fiscaal moeten aanmoedigen is een andere vraag.

De discussie verlegt zich dan naar de pensioensleeftijd. Dat is tegenwoordig 64 of 65 jaar voor bijna alle beroepen, maar in de praktijk houdt men het vroeger voor bekeken. Straks wordt het 67. Brugpensioen (eigenlijk 'werkloosheid met bedrijfstoeslag') is een tussenoplossing waarbij het bedrijf een deel van de pensioenuitkering voor zijn rekening neemt, een populaire oplossing om oude werknemers aan de kant te zetten. Voorts is er nog ziekte en invaliditeit, of eeuwige werkloosheid voor iemand die de pech heeft na z'n vijftigste de deur gewezen te worden. Einde carrière, terwijl we 'met z'n allen langer moeten werken', dat stemt natuurlijk de betrokkenen bitter. Ik vat die discussie even samen:

Sommige pleiten voor het verhogen van de pensioensleeftijd.
  • Iedereen weet dat het na 55 moeilijk worden om nog werk te vinden. Zo'n maatregel verlengt dus deze periode van ontbering.
  • Men betoogt dat de gemiddelde gezonde levensverwachting stijgt. Uiteraard zit er heel veel variatie rond dit gemiddelde, omwille van genetisch aanleg, levensstijl, socialisatie en arbeidsomstandigheden. Hoe wil men dit allemaal in rekening brengen? Er zullen mensen 'werken tot de dood'. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van de (economische) ontwikkeling van de laatste eeuwen.
Sommigen pleiten voor een minimale loopbaanduur.
  • Dit benadeelt hoger opgeleiden, want de studieduur wordt niet meegeteld. Dit verlaagt dan ook de meerwaarde van een diploma. Onder het mom van rechtvaardigheid dwingt men mensen (gegeven dat ze een keuze hebben) naar inferieure jobs waarvoor minder opleiding nodig is.
  • De loopbaanduur wordt afhankelijk van de sector of de job, maar hierover bestaat nauwelijks informatie. Welke karakteristieken van het werk bepalen de levensverwachting? De stress in het onderwijs en de gezondheidszorg vreet aan hoogopgeleide werknemers, terwijl de maatregelen rond preventie en bescherming op het werk voormalig zwaar werk in sommige bedrijven juist heel ergonomisch heeft gemaakt. In elke sector en in elke stiel vind je een combinatie van goede en slechte jobs. Hier valt dus geen lijn in te trekken.
Sommigen pleiten voor kortere loopbanen, zodat jongeren een kans krijgen.
  • De redenering is niet zo slecht: het is belangrijker dat een jongere kan uitstromen dan dat een oudere aan het werk gehouden wordt - afgezien nog van het verschil tussen een werkloosheidsuitkering en een pensioen. Helaas, in de praktijk blijven de resultaten uit: alleen al door de vertraging op het aanwerven zit je met een lager beschikbaar inkomen, minder vraag en minder werk. Ontslaan om aan te werven is dus een verliesoperatie. Idem met het verkorten van de werkweek.
  • Wat niet wegneemt dat het een experiment waard is. Bijvoorbeeld wanneer een bedrijf in plaats van een klassieke herstructurering een verjonging doorvoert, en elke bruggepensioneerde meteen vervangt door een jongere. Hier stelt zich dan de vraag naar de additionaliteit: het kan zijn dat de jongere zonder het ontslag van de oudere werknemer ook zou zijn aangeworven. 

Voorstel

Mijn kritiek op dit alles is dat het individu vergeten wordt. Niemand weet beter dan het individu wanneer de tijd kostbaarder begint te worden dan het te verdienen geld. Iedereen weet namelijk wanneer zijn of haar ouders gestorven zijn, en kent zijn eigen gezondheid en levensstijl. Hij/zij kan zich daarop baseren om te beslissen of een extra jaar werk nog de moeite waard is. Naarmate je einde nadert, zal dit steeds minder het geval zijn. Laat iedereen dus, vanaf een bepaalde leeftijd, kiezen wanneer hij of zij de arbeidsmarkt verlaat.

De eerste pensioenspijler kan (ongeveer) gelijkgeschakeld worden en komt neer op het noodzakelijke minimum. Wanneer werknemers ouder worden zal hun reservatieloon stijgen en zullen ze meer geïnteresseerd raken in dit basispensioen. Wie hoogopgeleid is en een sterk hart heeft, kan ervan uitgaan dat hij ver boven de levensverwachting zal uitkomen en heeft wellicht een hoger loon. Zo iemand zal er vrijwillig voor kiezen om langer te werken. Dit systeem is gelijkaardig aan het basisloon waar Vivant voor pleitte. Ik ben dit idee genegen maar pleit ervoor eerst het met de pensioenen uit te proberen.

De bedoeling is om een gelijke pensioensduur (in absolute tijd) te stimuleren. Ik vertrek expliciet vanuit de assumptie dat mensen het rechtvaardig vinden dat ieder een evenwaardige 'oude dag' heeft, wanneer die ook begint. Dit idee moet nog afgetoetst worden. Het mechanisme is eenvoudig maar lijkt paradoxaal. Vanaf het moment dat men pensioneert geniet men voor een periode van 10 jaar een verhoogde pensioensuitkering - men kan die periode onderbreken om terug te keren naar de arbeidsmarkt als men dit wenst. Over deze periode valt men geleidelijk aan terug tot 100%. Wie de indruk heeft dat op z'n 65ste de bel zal gaan, kan dus best rond z'n 55ste ophouden met werken. Zijn verwacht pensioen is dan het hoogst. Om hoge kosten aan het levenseind te dekken kan daarvan wel een bedrag opzij gezet worden.

Met dit systeem zijn twee problemen: het eerste is misbruik (moral hazard). Het systeem stuurt eigenlijk aan op zwaar leven: roken, drinken en ander risicogedrag. Je verlaagt dan wel je levensverwachting, maar het pensioensysteem komt je tegemoet. Het tweede probleem is de bereidheid om pensioenbijdrages te betalen. In het huidige repartitiesysteem zijn de grote verdieners bereid meer bij te dragen omdat ze naderhand ook meer zullen ontvangen. Krijgen zij in het nieuwe systeem ook een hoger pensioen, dan zullen zij nog steeds vroeg op pensioen gaan. Vandaar dat het basispensioen gelijk dient te zijn: zo blijven de netto-bijdragers langer aan het werk. Het zou kunnen dat een regering zich hier niet populair mee maakt.

Twee manieren om dit aan te pakken. a) Iedereen betaalt een gelijke bijdrage uit het arbeidsinkomen tot zijn 55ste, en daarna niet meer. Dit zorgt voor een hoger nettoloon en een extra incentive om oudere werknemers aan te trekken. b) Men vraagt van de sterkste schouders toch meer steun in ruil voor een licht verhoogde 'bonus' gelijkaardig aan de verdeling vandaag.

Onderstaand schema illustreert hoe de basis voor afdrachten voor de hogere inkomens een relatief klein beslag leggen op het totale arbeidsinkomen over de gehele loopbaar. Je kan dus een hogere afdracht vragen indien de hoogte van de inkomens positief correleeert met de levensverwachting.

Laag inkomen
18 jaar                  55   57 out            67+
°------------------------|----||----------------X-------------
°------------------------|----------------||----------------X-
                         55               65 out            75+
Hoog inkomen