maandag 17 oktober 2016

Minimum minimorum

De regering wil de minimumlonen voor jongeren naar beneden halen, tot 70% van het volwaardig minimumloon op 21 jaar voor jongeren van 16. Dat lijkt wat op het Nederlands model, maar daar is het 35% van het volwaardig minimumloon op 23 jaar, dat dan ongeveer gelijk is aan dat van ons op 21.

Wat hen bezielt weet ik niet, maar ik kan mij twee argumenten inbeelden:
  • Jongeren zijn minder productief, en dat moet in het loon weerspiegeld zijn
  • Jongeren hebben nog andere inkomens, zoals hun leeftijdgenoten die gaan studeren zijn ze misschien nog afhankelijk van het gezinsinkomen dat de ouders genereren
Enkele algemene opmerkingen:

Vooreerst is het sterk dat de regering zo zeker weet dat de minimumlonen het struikelblok zijn voor jongeren. De economische literatuur is daar niet eensluidend over. Men is het er wel ongeveer over eens dat minimumlonen op zich de tewerkstelling niet schaden, maar enkele groepen zouden een uitzondering kunnen vormen. Dat zijn dan bijvoorbeeld jongeren en migranten. Ik kom hier later nog op terug, maar als eerste bemerking dus het feit dat men blijkbaar alle maatregelen die zeker werken heeft uitgeput, en nu dus op experimenteel beleid is overgeschakeld.

Een tweede constatatie is dat deze regering het internationaal recht langszij kan zetten. Artikel 19 van het Verdrag van de Europese Unie en Richtlijn 2000/78 van de Europese Commissie EC over Gelijkheid in de Tewerkstelling verbiedt namelijk leeftijdsdiscriminatie. In 2009 werden in die zin de minimumlonen in België gelijkgeschakeld, hoewel er voor de -21 jarigen een anciënniteitsclausule van toepassing was (en op vandaag nog steeds is). Starters beginnen dus wel degelijk aan een laag loon. Als het loon het grote struikelblok zou zijn voor verdere tewerkstelling, dan zouden we bij jongeren veel contracten van bepaalde duur / uitzendcontracten moeten zien bij jongeren die niet verlengd worden. Het zou het regeringsvoorstel sterker maken evidentie ter zake voor te leggen.

Een derde bemerking is dat de regering het niet alleen overneemt van academici en magistraten, maar ook van de sociale partners. Dat is de laatste jaren een trend, bijvoorbeeld met het bij wet opleggen van de loonnorm, die men ook nu bindender wil maken. In België is het minimumloon in principe een overeenkomst van de Nationale Arbeidsraad (NAR), vervat in CAO's nr. 43 en 50, meestal beslist op basis van overleg in de Raad van Tien. Dit systeem moet zo geweldig zijn dat lobbyisten het hebben geschrapt uit een advies van de expertencommissie aan Griekenland voor de hervormingen die daar op til zijn - men zegt letterlijk dat een systeem zoals dat van ons, waar de sociale partners de minimumlonen bepalen, nergens in Europa bestaat. Onze regering lijkt echter diezelfde ambitie te koesteren, en gebruikt haar macht om de werknemersvertegenwoordiging in deze instellingen buitenspel te zetten. Het afnemen van de vrijheid tot onderhandelen is een eigenaardige demarche voor een liberale regering. Het is namelijk zo dat het minimumloon ook communiceert met de looneisen in het IPA. Door het minimumloon voor een deel van de werknemers te verminderen én tegelijk de loonnorm te verstrengen, komt de regering wel heel rigide voor de dag.

Laten we nu even de economische argumenten bekijken:

Ten eerste, het probleem van jongerenwerkloosheid moet ernstig genomen worden. Een degelijk werkgarantieplan voor jongeren (Youth Employment Guarantee) hebben we in België, in tegenstelling tot de landen waar we graag op willen gelijken, niet. De regio's hebben wel aankondigingspolitiek gedaan, maar daar zaten onhaalbare beloftes - zelfs overheidstewerkstelling - bij. Men moet zich dus hoogdringend over deze kwestie buigen, maar met goed begrip van de statistieken. Veel meer jongeren dan ouderen zijn werkloos, maar de structuur van de tewerkstelling en werkloosheid is anders. Bij 55-plus'ers is werkloosheid erg laag, maar er zijn weinig actieven. Bij jongeren komen er actieven bij door de uitstap uit het onderwijs. Werkloosheid bij ouderen is echter eerder structureel terwijl werkloosheid bij jongeren vaker frictioneel is. Precies omdat ze net van de schoolbanken komen zoeken jongeren nog naar een gepaste job, en wellicht hebben ze ook werkelijk meer opties - want zoveel wordt er niet geïnvesteerd in transfereerbare skills door opleiding on the job (het streefdoel van 1.9% van de loonkost is ook gesneuveld in het snoeiplan).

Ten tweede, een hoger minimumloon betekent dat een hogere productiviteit gevraagd wordt. Dat impliceert dat men moet investeren in de opleiding van jongeren. Het verlagen van het minimumloon is het opgeven van die strategie. Een bekende voorzitter van de studentenvereniging KVHV, die ook banden heeft met een regeringspartij, formuleerde het, naar aanleiding van het verhogen van het inschrijvingsgeld aan de universiteit, zo: "universitair onderwijs zou voorbehouden moeten zijn voor de elite". Een prominente first lady bij een andere regeringspartij zei eerder dat "het onvoorstelbaar was dat men tegenwoordig van de boerderij naar de universiteit kon stappen" (de werkelijke citaten zoekt u maar op, maar de trefwoorden zijn juist). Nu ga ik niet beweren dat elke jonge werkloze een professor is die zijn roeping heeft gemist, maar men kan zich gemakkelijk voorstellen dat er zich een arbeidsmarkt gaat vormen voor jongeren die, net door de verlaging van het minimumloon, aankijken tegen een verhoging van de opportuniteitskost om verder te studeren - je verzaakt namelijk aan de inkomsten in de arbeidsmarkt voor jongelingen. Erger nog, studenten kunnen daar schoolverlaters gaan verdringen, zoals in Nederland, waar het heel gebruikelijk is dat een studie met een job wordt gecombineerd. Sommige mensen zijn daar voorstander van, anderen wijzen erop dat we wel meer grachten over moeten vooraleer we de nuchtere hardheid van de noorderburen onder de knie hebben.

De derde economische kanttekening heeft betrekking op de assumptie als dusdanig dat alles rond productiviteit draait. Als jongerenwerkloosheid regionaal gecorreleerd is met ouderenwerkloosheid (en dat is het), dan is het helemaal niet leeftijdsgerelateerd. Iedereen kan de arrondissementen in het zuiden van het land aanwijzen waar het economisch leven stilligt. Als men dan echt een lageloonstrategie wil volgen, zoals in Duitsland in het begin van de jaren 2000, moet dat lineair wil men niet discrimineren. Het Duitse 'mirakel' geeft ook aan dat er iets niet helemaal klopt aan de bewering van armoedespecialisten: lagere lonen hebben daar wel degelijk de armoede vergroot. Ik kom hier dadelijk op terug. Ter zijde, maar niet onbelangrijk: het voorstel is een puur aanbodszijde-argument, terwijl de crisis eigenlijk uit een vraagschok voortkomt.

Punt vier, mijn lievelingsargument: de arbeidsmarkt is niet perfect competitief. Via de arbeidsmarkt komen we, met andere woorden, niet achter de individuele productiviteit van een werknemer. Dat is omdat werknemers niet erg mobiel zijn, en omdat de werkgever weet dat ze zich niet bewust zijn van alle mogelijke kansen op de arbeidsmarkt. Uit die informatie-assymmetrie haalt de werkgever de mogelijkheid om de lonen te drukken. Het is natuurlijk wel zo dat een werkgever de totale loonkost moet kunnen ophoesten. Lage jongerenlonen ontslaat hen van de moeite na te denken hoe. Een alternatief is looncompressie: als jongeren wat meer verdienen - een eigenaardige wending in het debat waar het eerst over onproductieve ouderen ging, maar dit ter zijde - dan kunnen oudere werknemers compenseren. Mijn stelling is dat het negatieve effect op de tewerkstelling bij jongeren, afhangt van de groep waarover onderhandeld wordt. In België zal het outsidereffect allicht beperkter zijn dan in landen waar er bijvoorbeeld geen algemeenbindendverklaring van de baremieke lonen is, en de vakbond enkel voor een sterke vaste kern van leden onderhandelt. In een meer georganiseerde arbeidsmarkt als de onze is het zelfs denkbaar dat een hoger minimumloon de tewerkstelling vergroot, want de armoedeval verkleint. Een jonge laaggeschoolde Brusselaar verzekerde mij dat werk vinden geen probleem is, maar in vergelijking met de uitkering die je verdient neerkomt op vrijwilligerswerk. We weten dat verplicht vrijwilligerswerk tegenwoordig ook al een liberaal principe is geworden. Gekker kan je het bijna niet bedenken.

Als laatste punt, een waarheid als een koe: de lunch is niet gratis. Jongeren moeten ook hun rekeningen betalen. Hun inkomen moet ergens verzameld worden. Is het niet als werknemer, dan als kind-ten-laste of als steuntrekker. De regering belooft namelijk dat het nettoloon hetzelfde zal blijven. Het argument van de armoedespecialisten is daarom des te problematischer, want jongeren zijn heel erg op zichzelf aangewezen: het stabiele gezin dat hen kan opvangen is net ontbonden en een nieuw gezin moet nog gevormd worden. Dit maakt de probleemstelling iets eenvoudiger: ofwel haalt de jongere een inkomen uit arbeid (predistributie), ofwel door premies van de grote overheid (redistributie). De liberale keuze valt gek genoeg op dat laatste. Wie nu applaudisseert voor magere lonen, moet weten dat hij daarop zal belast worden, tenzij hij écht wil dat de jongeren arm zijn. Het betekent ook dat de vroeger onvoldoende productief gewaande ouderen voldoende zullen moeten blijven verdienen om via de belastingen de jongeren te spijzen. Of dat men aan taxatie-innovatie zal moeten doen. Deze regering heeft al heel wat lasten van de broekzak naar de vestzak verplaatst en neemt zijn klaarblijkelijk voor dat te blijven doen. Men zou toch moeten weten dat daar transactiekosten voor aangerekend worden.

Kan het kreatiev-produktiev? Misschien met dit idee: laten we werkgevers die het minimumloon effectief niet kunnen betalen inderdaad helpen. De overheid mag tussenkomen met een soort subsidie, waarmee het eigenlijk kapitaal in de onderneming inbrengt. Zo wordt de overheid aandeelhouder, en ontvangt het dividenden op de productiviteit van de jonge werknemers, gevormd in het door haar verstrekte onderwijs. Ook de ondernemer zal gemotiveerd blijven om te investeren in menselijk kapitaal en innovatie, om zodoende de eigen aandelen te kunnen terugkopen. De werknemer geniet ondertussen van zijn welverdiend netto én brutoloon, want dat laatste levert ook niet onaantrekkelijke uitgestelde rechten en bescherming tegen armoede op.