woensdag 13 februari 2013

Keuze voor het secundair op 12 jaar of later?

Op welke leeftijd moet een breed, generalistisch pad verlaten worden, en moeten leerlingen kiezen een eerste keuze maken wat betreft het studieniveau? Sommigen vinden vroeg, anderen vinden laat. De pedagogische en onderwijssociologische literatuur lijkt aan te tonen dat groepen met gelijke cognitieve skills en attitudes betere resultaten boeken dan gediversifieerde groepen. In feite betekent dit niet anders dan dat onderwijs op maat van het individu superieur is: men groepeert eenvoudigweg individuen voor wie hetzelfde type onderwijs optimaal is. Ability grouping gebeurt dus best zodra het kan.

Er zijn twee problemen: kinderen evolueren op ongelijk tempo en moeten ook een aantal sociale vaardigheden ontwikkelen op school, waaronder omgaan met diversiteit. Men kan psychometrisch bepalen op welke leeftijd de capaciteiten gemiddeld genomen meetbaar zijn. Het is onduidelijk of dit beter vroeg gebeurt, met minder omgevingsinvloed (bijvoorbeeld als kleuter), of laat, na een fysieke en cognitieve groeiperiode. Ik ben niet op de hoogte van de stand van zaken in IQ-testing, maar zelfs indien we dit zouden weten blijft IQ een beperkte factor. Andere factoren, zoals werklust en motivatie, zijn in feite helemaal niet meetbaar, tenzij aan de resultaten zelf: optimaal presteren op school. Ability grouping is daarom een stapsgewijs proces met een grote kans op fouten.

Eén vervelende kwestie in dit debat is dat men studieniveau en specialisering door elkaar haalt. Daarbij lijkt het alsof technische en beroepsopleidingen specialiteiten zijn, die beantwoorden aan de preferentie voor een type arbeid. Dit is onzin en men moet dit stoppen. Technische en beroepsopleidingen geven aan welk niveau men wil bereiken, en impliceren aldus een beperktere investering. Een voorbeeld verduidelijkt dit misverstand: een jongen van 10 jaar kan dromen van een carrière in de bouwsector. Mocht hij die droomt achternajagen, dan is hij volgens het huidige denken voorbestemd voor een technische opleiding. Daarbij is het zogenaamd spijtig dat die technische opleiding beschouwd wordt als een lagere sport op de educatieve ladder, want er zijn ook complexe jobs in de bouwsector (gaande van logistiek management tot betoncompositie). Niemand ontkent die laatste vaststelling, maar men dient te beseffen dat het het ASO meer intellectuele vorming aanreikt zodat men dezelfde ketel specie vanuit een geheel andere hoek gaat bekijken. 
Vergelijk het met vioolspelen: eerst moet men solfege beheersen, muziektheorie en geschiedenis begrijpen, daarna lang oefenen met weinig resultaten en uiteindelijk speelt men de beoogde werken. Aanvankelijk besef je nauwelijks dat je viool leert spelen, maar toch is dat wat je doet. Zo is ook het ASO. TSO en BSO daarentegen zien af van een grondige intellectuele vorming, en sluiten zo enkele mogelijkheden uit, maar winnen tijd in het aanleren van vaardigheden waarvoor de intellectuele inspanning beperkter is. Men zegt dat het niveau lager is, maar vergeet te nuanceren dat dit enkel intellectueel zo is en dat we die heterogeniteit nodig hebben: variatie is de kracht van het menselijk ras. Als de traagste geest in het jaar 3000 sneller denkt dan Einstein, dan zal er nog steeds variatie zijn. Meer nog, in een cybernetische toekomst zou het gebrek aan variatie ons zelfs de das kunnen omdoen (maar hier zal ik het later nog over moeten hebben). We kunnen dus geen klasse-indeling maken op basis van biologische variabiliteit zonder onze menselijkheid te veroordelen. De biologie dwingt ons tot synergieën: sommigen zetten in op creativiteit, anderen op schoonheid, nog anderen op intellectuele prestaties en misschien is een restdeel zelfs publiek. Er is geen wezen zonder functie, en ieder zal moeten zoeken naar de functie die het best past. Dit ethisch besef zou demotivatie moeten voorkomen.

Mijn advies is daarom in de eerste plaats het behoud van de huidige structuur van het onderwijs in België, met een vrij vroege tracking maar voldoende mogelijkheid om te corrigeren: dit kan door opwaartse tracks in het TSO en het ASO (de wetenschappelijke en wiskundige opties die in de hogere cyclus beschikbaar zijn). Ook blijft het mogelijk om op 18 jaar een nieuwe kans te wagen om een hogere sport op de educatieve ladder te bereiken, omdat de veronderstelde voorkennis zelden onoverbrugbaar is. Meteen pleit ik ook tegen bindende ingangsexamens, die deze bruggen opblazen, en voor individuele studietrajecten (hoewel niet als regel). Incrementele wijzigingen en mogelijkheden voor opwaartse correcties kunnen worden aangebracht om dit systeem te versterken.