zaterdag 23 mei 2020

Waarom ik het niet heb voor N-VA

Disclaimer: dit wordt een reeks "waarom ik het niet heb voor..." waar ik het vroeg of laat over alle partijen zal hebben. Ik denk dat het democratische design in België slecht is, en er daarom geen goede partijen kunnen ontstaan. Dit licht ik in nog een ander stuk nog wel toe.

N-VA is een vervelde en verrechtste versie van de VU, en gaat historisch dezelfde wortels opzoeken als het Vlaams Blok/Vlaams Belang in het VNV en al wat rechts was voor, tijdens, en na de tweede wereldoorlog. Hoewel het een breedspectrumpartij is geworden, is N-VA beduidend rechtser dan de VU was geworden. De linksere flank van de VU, ID21 of Spirit, was een andere weg op gegaan, maar is intussen verdwenen. Geert Lambert, Patrick Vankrunkelsven, en Bert Anciaux waren daar de boegbeelden van. Ook oud-voorzitters Hugo Schiltz en Vic Anciaux zou men vandaag niet meer in de N-VA terugvinden. In de vroege periode na de splitsing van de VU zag het er echter anders uit: N-VA moest het stellen met amper één kamerzetel, die van Geert Bourgeois, terwijl Spirit het goed deed, in het zog van een progressievere wind die paarsgroen onder Guy Verhofstadt had ingezet. N-VA had een wat stoffig boekhoudersimago. Toch werd het gewaardeerd, omwille van de ernstige, zakelijke uitstraling en beginselvastheid. Ik heb ze zelf nog uitgenodigd op vijf scholierendebatten voor VSK in de Nederlandstalige provinciehoofdsteden. Ik zal straks uitleggen waarom ik niet over "Vlaanderen" spreek.

Tot hiertoe is er nog geen fundamenteel bezwaar bij een conservatieve, rechtse, Vlaamsgezinde partij.  Er zitten in het DNA zeker wel sporen van het collaboratieverleden (Jan Jambon zijn zoon noemde Duitsland, tijdens zijn Erasmus, een "terugkeer naar de heimat"), Schild & Vrienden, NSV, en KVHV zijn goed vertegenwoordigd in de partij, en er is kliekje met Theo Francken dat zich de "Vlaams Nationale Vrienden" noemt, een misplaatste grap in het beste geval. Dat creëert een vermoeden dat de N-VA een wolf in schaapsvacht is, een meer salonfähige versie van het Vlaams Blok. Het helpt ook niet dat N-VA groot geworden is door stemmen van het Vlaams Blok over te nemen, en dus een electoraat heeft geërfd dat extreemrechts is. Toch kunnen we de twee partijen niet aan elkaar gelijkstellen. N-VA is minder combattief, democratischer, en intellectualistischer dan de het volksere Vlaams Blok. Mensen als Bart De Wever, die hier een boek aan wijdde en die door zijn deelname aan het quizprogramma De Slimste Mens in 2011 de partij bekend en geliefd maakte, en gewezen kamervoorzitter Jan Peumans, zijn daar toonbeelden van. Er bestaat zeker een electoraal segment die zich door deze strekking wil laten vertegenwoordigen, en het zijn geen revolutionairen waarmee niet te spreken valt.

Er is een algemeen politiek probleem dat echter roet in het eten gooit: politiek is in essentie sociale marketing. Men moet de burger overtuigen van z'n ideeën. Helaas is marketing vaak misleiding, en zullen partijen proberen burgers over te halen die, wanneer ze goed geïnformeerd zijn, eigenlijk niet thuishoren bij een partij. De vlottende kiezer is daar het doelwit van, en om deze minst rationele kiezers is juist het meeste te doen. Zo ook bij N-VA. Op dezelfde manier als Steve Stevaert tien jaar mensen een socialistisch pak had verkocht, slaagde Bart De Wever er bijna eigenhandig in om mensen een Vlaamsnationaal pak aan te meten. Een aantal zwakkere politieke figuren, zoals Ben Weyts, Zuhal Demir, en Siegfried Bracke, moest het kader versterken, maar eigenlijk barstte de partij uit zijn voegen. Nu komen we bij mijn twee kritieken op N-VA, waarmee men de kiezer verschalkt heeft.

Ten eerste is dat het nationalisme zelf. Het idee van een natiestaat ("volk wordt staat") gaat het modernistische denken en het rationalisme vooraf. De premisse is dat je met bepaalde mensen kan samenleven, en met anderen niet. In één variant leidt dat tot expansionisme, in een andere tot differentialisme. Dat laatste is het "Europa van de regio's" waar N-VA naar streeft. Zo is er wel sympathie voor de Schotten, Catalanen, of zelfs Palestijnen, maar niet voor de Walen - althans niet zolang ze tot België behoren. Nu zou dit een eenvoudige organisatorische zaak kunnen zijn: men kan een zeker decentralisme of een bepaalde configuratie van multi-level governance verkiezen, met stimuli voor kleinere eenheden maar tegelijk ook enige coördinatie over die eenheden. Soms wordt dat beargumenteerd, maar zonder staving: er wordt nooit getoetst en zelfs niet gedefinieerd wat het optimale bestuursniveau zou zijn. Het is ook heel toevallig dat het om het Nederlandstalige deel van België zou gaan. Het mag duidelijk zijn dat er ook een culturele component is. N-VA, in tegenstelling tot het Vlaams Blok, hangt geen Bloed & Bodem-nationalisme aan. Een migrant kan ook Vlaming "worden", de Vlaamse identiteit van Bart De Wever is een intentioneel construct. Op de achtergrond speelt een halve eeuw getimmer aan een Gramsciaanse hegemonie, waarbij culturele sleutelposities zijn ingenomen, te beginnen bij het onderwijs en de media. De staatshervormingen gaan N-VA vooraf, en hoewel de laatste staatshervorming bedoeld was als een tegemoetkoming aan het opkomend separatisme, heeft de partij deze niet getekend en steeds afgekeurd. Maar men gaat steeds één stap verder in de richting van een onafhankelijk Vlaanderen (de Baert-doctrine), en projecteert daar alle dromen op.

Op dat moment wordt het gevaarlijk: iedereen kan Vlaming worden, maar wat dat precies inhoudt, kan men niet specifiëren. In dat Vlaanderen zal alles voor de wind gaan, want Vlaanderen stelt het economisch beter dan Wallonië. Als we naar de inkomensverdeling in België kijken zien we echter geen noord-zuid gradiënt, maar wel een concentrisch beeld rond Brabant. Zo kaapt Brabant (Antwerpen en Vlaams-Brabant) eigenlijk het concept Vlaanderen van de Vlaamse provincies (Oost- en West-Vlaanderen). Cultureel zijn de verschillen echter groot: terwijl men Vlaanderen kan typeren met typische katholieke gezegden (de boer ploegt voort, bezint eer ge begint, hoogmoed komt voor de val, het vel van de beer niet verkopen voor hij geschoten is), vindt men die bescheidenheid en terughoudendheid in Brabant minder vaak terug. Aan de top van N-VA zien we dan ook dat de Brabanders bijna alle sleutelposities in handen hebben. Men is er zelfs in geslaagd om De Ronde Van Vlaanderen in Antwerpen te laten starten, en slechts 2.2 kilometer door Kerkove in West-Vlaanderen te laten rijden. Het Vlaamse ideaal is dus fictie, en over Limburg zullen we niet spreken, want over Limburg - de armste Nederlandstalige provincie - spreekt men niet. Dat is "quantité négigable". Nu goed, dit is geen pleidooi voor stadstaten of provincialisme, maar ze afschaffen om een artificiële regio toch maar meer bevoegdheden te kunnen geven is een administratieve blunder. Het feit dat men over provincies weinig hoort bewijst eigenlijk dat daar via consensus kan worden gewerkt. "Vlaanderen" is een conflictstructuur, en het Vlaams nationalisme voedt zich met antogonisme: zoals in verhalen is de antiheld, in dit geval de PS, een objectieve broeder van de held. Maar laten we voor de rest niet vergeten dat ook binnen de provincies zeer veel variatie bestaat, dat men niet kan zeggen "dat Vlaanderen rechts is en Wallonië links", als men tegelijk ziet dat in de grote steden met een meer kosmopolitisch karakter linkser gestemd en gedacht wordt. Zelfs in Antwerpen had Patrick Janssens bij zijn laatste examen de binnenstad mee. Politieke voorkeur is voor een groot deel sociaal-economisch ingegeven, een deterministisch gegeven, en het moet in een democratie tot gezamenlijke oplossingen leiden, niet ieder voor zich. Het conservatieve platteland heeft dus de progressieve stad nodig, en vice versa. Het universalistische Wallonië kan het particuliere Vlaanderen gebruiken, en ook hier vice versa. Het is politiek zeer interessant om het eigen territorium af te bakenen en dat uit te roepen tot regio en volk, maar zonder diversiteit werkt het niet. Erger nog, we zien dat, ondanks het meer academische profiel van N-VA, het anti-intellectualisme, het verzet tegen de rechtstaat, de kritiek op de journalistiek toxische proporties aanneemt. Typisch voor pre-moderne ideologieën (de andere zijn religieuze partijen) wordt het zoeken naar kritiek en dus het streven naar een waarheid, als puntje bij paaltje komt, bijzaak.

De tweede kritiek op N-VA betreft het neoliberale karakter. Eigenlijk is het nationalisme nog enigszins begrijpelijk voor een Vlaamsgezinde partij, hoewel allesbehalve noodzakelijk. Men kan een taalgroep beschermen in een federale staat. Maar bovenop dat culturele nationalisme komt economisch nationalisme, en dat is bijna per definitie neoliberalisme. Ik vertrek daarbij vanuit de inherente nationalistische logica, maar Marxistisch bekeken is het andersom: het lokaal kapitalisme trekt zich een ideologisch nationalistisch kleed aan om een markt af te schermen, en politici gaan daar graag in mee omdat dit ook hun democratische markt afschermt, zoals hierboven betoogd, maar ook omdat het financiële middelen mobiliseert. Hoewel het vaak verpakt wordt als liberalisme en marktdenken, is het neoliberalisme dus volstrekt het tegenovergestelde: het is een entente tussen het bedrijfsleven en de overheid, waarbij de tweede in functie staat van de eerste. In het omgekeerde geval spreken we van staatskapitalisme, zoals in China of Rusland. Net als in die landen wordt de staat juist groter en onvrijer, meer gericht op orde en controle, in plaats van minimaal en bogend op volkse cohesie. Het is een absolute paradox dat Bart De Wever de ideeën van De Toqueville predikt, want dit is niét wat er in de praktijk gebeurt. Wat we zien is dat de morele ruimte verkleint naarmate de juridische ruimte uitbreidt. Men kan zich niet voorbeeldig gedragen als men zich verplicht moet gedragen. GAS boetes zijn één voorbeeld, inburgeringsverklaringen en taalverplichtingen een ander. We krijgen dus een maximale staat, ten dienste van het lokale kapitaal: een herkenbaar patroon in de tendensen bij ons en in de VS met Donald Trump.

Dit zorgt enerzijds voor een rijkelijke bediening van de hogere inkomensgroepen, via premies, exclusiviteiten, handelsmissies, subsdidies, aftrekposten, vrijstellingen, aanbestedingen, noem maar op. Op sommige momenten zou men denken dat Vanden Boeynants nog leeft en op het Vlaams Volksfeest rondwaart. Uiteindelijk is dat hetzelfde, met een ander ideologisch kleedje om. Anderzijds - en dit is verrassend - is er ook een aparte armoedepolitiek. Het volk hoort graag dat men voor hen gaat zorgen, dat het volstaat trouw en gehoorzaam te zijn. Dat gevoel werkt zelfversterkend en drijft dissidenten uit. Vandaar dat men de traditionale zuilorganisaties, die op een meer universalitistische leest geschoeid zijn: vakbonden en mutualiteiten, liever omzeilt of vervangt door een gunstigere variant, iets dat door de staat gestuurd wordt of dat zich op het corporatistisch niveau bevindt. Trouw moet zich bewijzen, er is geen abonnement op sociale zekerheid. Bij het Vlaams Blok is er een liefdadigheidsinstantie die rechtstreeks te linken is aan Voorpost - dat is dus maffieuze liefdadigheid, want om beschermd te worden, moet men ook de regels volgen. Hoewel dit niet zo expliciet is bij N-VA, vind je een soortgelijk patroon in de opvattingen over solidariteit en sociale zekerheid. Dat heet dan het "rechten en plichten"-verhaal, waarbij er niet altijd een congruentie is tussen beide. Maar niet enkel de bevolking rekent zich daarom graag en veiligheidshalve bij dat volk, ook in de bovenbouw van de samenleving, met name bij de ontwerpers van het sociaal (overheids)beleid, vind men die reflex terug. Mijn goede collega Ive Marx bijvoorbeeld, die ik heel erg waardeer als vrijdenker, zal gemakkelijker steun krijgen vanuit Vlaams-nationale hoek, omdat hij precies op een mechanistische wijze de overheid wil gebruiken om een gericht armoedebeleid te voeren. We lezen dit dan ook in de intentieverklaringen van de Vlaamse regeringen waar N-VA deel van uitmaakte. Men wil de armoede halveren... maar slaagt daar niet in. De vraag is dan wat mensen verkiezen: de droom of de realiteit? Tijdens de bankencrisis was ik op LSE met het kransje van de internationale arbeidseconomen. De hamvraag: waar is de middenklasse naartoe? We mogen gerust zijn, in België is ze er nog, maar het neoliberale beleid heeft de neiging deze groep misschien wel moedwillig te verdelen, en de maatschappelijke polarisatie aan te wakkeren. In plaats van zelforganisatie wordt het volk dan hetzij verslaafd aan de staat aan de onderkant van de inkomensverdeling, hetzij wordt het een meelopersvolkje dat denk dat de belangen van het grootkapitaal die van hen zijn. De middenklasse in de neoliberale maatschappij komt niet meer voor zichzelf op. Dat is een paradox, en daarom de tweede reden waarom N-VA zal blijven aankijken tegen de contradicties en die, mijns inziens, ook niet zal kunnen blijven onderdrukken.

Heeft het volk het recht zicht te vergissen? Uiteraard. N-VA doet weinig - maar niet niets - dat buiten de legale sfeer of het democratische domein ligt. De partij heeft het grootste aandeel vlottende kiezers, en zal die zien gaan zoals ze ze zag komen. Een restfractie zal gewonnen blijven voor de rechtse, conservatieve, Vlaams-nationalistische, separatistische gedachte. Dat is prima en misschien wel gezond. De belangen van mensen verschillen nu eenmaal, en dus zijn er smaken en kleuren in het politiek banket. Het lelijke kantje is dat men het anders voorstelt, dat er een claim was om de brede Vlaamse volkspartij te zijn die de CVP/CD&V zou opvolgen, maar door voortschrijdend inzicht verrechtst was. Vandaar dit schema dat ik gemaakt heb, waar de verbanden tussen de partijen in kaart worden gebracht. Er is steeds een dynamisch spel tussen het unieke karakter van partijen, dan wel de gemeenschappelijke kenmerken die ook tot een sublimatie zouden kunnen leiden. Het Vlaams Blok onderging dit lot, en momenteel zit Open VLD in die fase, waarbij het zou kunnen verengen tot een rechtse, conservatieve, neoliberale en Vlaamsegezinde partij die in niets nog verschilt van N-VA. Ook vanuit de CD&V is zo'n spillover denkbaar, en met iets meer afstand zelfs vanuit Groen en SP.a. Alleen, naarmate het electoraat diverser wordt, gaan de contradicties die voortvloeien uit het nationalisme en het neoliberalisme zorgen voor spanningen en het steeds moeilijker maken om beginselvast te blijven - hetgeen altijd de grote sterkte van N-VA is geweest. Zonder een uitzonderlijk politicus zoals Bart De Wever is het zelfs niet ondenkbeeldig dat de plaats van N-VA in de vaderlandse geschiedenis weinigbeduidend zou geweest zijn. Het zou verkeerd zijn om dus voor één man de grondwet te versnipperen. Ideologen zoals Bart Maddens zaten al heel hun leven op zo'n Messiasfiguur te wachten, en proberen het ijzer te smeden als het heet is (en vele anderen doen dit in hun actieve pensioensjaren, omdat het dan eveneens nog net kan), maar intellectueel zou de analyse verder moeten reiken dan zuiver pragmatisme en Realpolitik, verder dus dan het analytisch vermogen van Carl Devos. Dat is nu niet het geval, en waarschijnlijk is dat eenvoudigweg omdat dit punt niet te maken valt. De voornoemde ideologische premisses zijn nu eenmaal niet in het algemeen belang, zijn niet schaalbaar, en zijn inherent contradictorisch.

Politieke strekkingen en partijen in Noord-België