vrijdag 13 juli 2018

Moslimmoeheid

Voor we dit stuk aanpakken: ik loop niet hoog op met geloofsovertuigingen. Dat is voor mij een contradictie in de termen: geloof gaat gepaard met onzekerheid, niet met overtuiging. In die mate dat het Christendom, jodendom, de islam geloofsovertuigingen zijn vind ik ze oninteressant. Als religie, d.w.z. een leer die mensen samenbrengt en harmonieus doet samenleven, kan ik ze wél begrijpen, maar laat net dat het probleem zijn dat ik hier wil aankaarten: als men er niet in slaagt om dat harmonieuze samenleven te organiseren, dan verliest de religie haar betekenis en bestaansrecht.

Nog een tweede premisse: individuen genieten volstrekte vrijheid om te denken en te doen wat ze willen, zolang anderen niet geschaad worden. Dat is de Verlichting in één zin samengevat. Men mag geloven en er eigenaardige overtuigingen op nahouden, dat is geen probleem. Individuen genieten ook het recht om zich te organiseren. Maar voor die nieuwe entiteit gelden opnieuw dezelfde regels: terwijl je op je eentje de anderen niet in de weg kan lopen, kan dat misschien als groep wel. Een groep heeft dus andere verantwoordelijkheden. Laten we het doen vooraleer men er erg in heeft: één nazi maakt de lente niet, elke individuele Duitser is niet aansprakelijk voor de holocaust, maar samen hebben ze het wél gedaan. Libanon was een westers land in het midden oosten, maar is onder de voet gelopen en minder vrij dan vroeger, niet door elke individuele moslims met zijn of haar onschuldig geloof, maar door organisaties die als entiteit sui generis een territorium gingen innemen.

De titel van dit stuk zegt het al: we zijn niet tégen de moslims (het is niet 'moslimhaat'), maar we worden er wel moe van. De laatste vijftien tot twintig jaar verdringt de islam ander nieuws in onze kranten, over sport, economie, cultuur, voor een verhaaltje dat rondjes draait: mag een hoofddoek of mag het niet, moeten moslimkinderen andere feestdagen krijgen of niet, mag men het werk onderbreken om naar Mekka te bidden of niet, kan men het zwembad in met een boerkini of niet. Eén voor één zijn het kwesties waar je geen halszaak zou van maken als ernstige mens. Er zijn argumenten voor en argumenten tegen, maar wat er ook beslist wordt, er valt mee te leven. Immers, als het zo verschrikkelijk was om zonder hoofddoek rond te lopen, dan heeft de 80% van de wereldbevolking die géén moslim is een serieus probleem. Omgekeerd zijn er andere mensen om over de bol te aaien als er iemand beslist dat die dit niet aangenaam vindt en een hoofddoek opzet. Het verschil met een pet of bivakmuts is niet zo groot. Het is dan ook een symboolkwestie.

Toch is het vervelend: terwijl er veel uitdagingen zijn om samen aan te gaan, is er een strijd om aandacht en sociale hegemonie tussen moslims en niet-moslims. Dat wordt zeer visueel en territoriaal uitgespreid, en het leidt tot sofistische discussies over verdraagzaamheid tussen kampen die om te beginnen al niet zinnens zijn om enige tolerantie voor de dag te leggen. De gewone man die gekneld zit tussen die kampen wordt daar moe van, en het risico is zéér groot dat die uiteindelijk de kant kiest van het status quo, dat wil zeggen van de situatie voor de symboolstrijd losbarstte. Iets anders hebben we immers niet aan de invasie van geloofsovertuigingen overgehouden - of het moesten voetballers zijn.

Zo kan je elk individu en zijn individuele vrijheidsstrijd begrijpen en appreciëren, maar men zou ook rekening moeten houden met de perceptie wanneer dit groepsgedrag begint te worden, met groepseffecten zoals het uitsluiten van kinderen op de speelkoer als zij geen hoofddoek dragen, of body-shaming als een imperfect lichaam zich toch onbedekt op het strand waagt. Dat zou allemaal niet mogen, maar is het niet als zwaktebod tegen uniciteit en imperfectie dat men voor de optie koos om het probleem om te beginnen uit de weg te gaan? Als het niet allemaal zo in de kijker was gewerkt dan maakte niemand een bezwaar: zwartafrikaanse vrouwen met kleurrijke haarbanden maken de mensen vrolijk en niemand vraagt wat hun geloofsovertuiging is. De clash of civilizations, een schijnstrijd op basis van fantasmes die het gedeelde lot doet vergeten, komt er alleen omdat men op het collectief niveau een territoriale bedreiging vormt. Territorium kan hier figuurlijk worden opgevat.

Het is vreemd en problematisch dat men dat niet beseft. Religies en welke andere ethiek dan ook kan en moet inclusief zijn wil ze aanvaard worden door wie er buiten staat. Het zou getuigen van gezonde zelfkritiek om te evalueren of men daarin slaagt. Als we even rondkijken in onze maatschappij zien we zeer veel diversiteit, ruimte voor individuen en groepen om zich uit te drukken. Rond het cultureel en religieus islamisme bestaat dit niet. Dan moet men zichzelf in vraag stellen. Ofwel is die hinderlijke geslotenheid (in tegenstelling tot de joden, die zich afzonderen) te wijten aan het geloof en de cultuur als dusdanig, ofwel aan andere correlerende factoren, zoals artistieke, intellectuele, en economische (onder)ontwikkeling. Beide hechten zich natuurlijk op elkaar. Maar ook als het wél mogelijk is om al gematigde of westerse moslim samen te leven en het geloof als het ware te laten sublimeren, dan nog moeten diegenen veroordeeld worden die de sfeer aanhoudend verzieken, en nuttiger nieuws uit de katernen houden. Daar rust precies een taboe op.